RICHTLIJN VERDELING TOEVOEGINGSVERGOEDING

BIJ OPVOLGING STRAFZAKEN




            Inleiding

 

1.        

Regelmatig wordt de Raad van Toezicht Amsterdam geconfronteerd met verzoeken om bemiddeling bij van de vaststelling van vergoedingen na het overnemen van strafzaken in de toevoegingpraktijk.
De RvT heeft nu een richtlijn vastgesteld waarin de uitgangspunten zijn neergelegd voor de beoordeling van geschillen over deze problematiek. Het staat advocaten uiteraard vrij om in afwijking van deze richtlijn onderlinge afspraken te maken, maar in geval van geschil zal de richtlijn leidend zijn voor de deken.

Richtlijn

2.        

Toevoegingen in strafzaken die niet zijn aangemerkt als een bewerkelijke zaak dienen door de opvolgende raadsman binnen 1 maand na beëindiging van de krachtens die toevoeging verrichte werkzaamheden bij de raad voor rechtsbijstand te worden gedeclareerd. Indien het een bewerkelijke zaak betreft, bedraagt bovenbedoelde termijn 2 maanden.

 

3.        

De opvolgende raadsman is (zowel in bewerkelijke als niet-bewerkelijke zaken) gehouden om binnen 14 dagen na ontvangst van de vaststellingsvergoeding, een schriftelijk voorstel (onder bijvoeging van de vaststellingsvergoeding) te doen aan de opgevolgde raadsman aangaande het aan hem/haar toekomende bedrag.
Indien de opgevolgde raadsman akkoord gaat met bedoeld voorstel, kan hij of zij ter zake daarvan een declaratie sturen aan de opvolgende raadsman. De opvolgende raadsman is gehouden bedoelde declaratie te voldoen, binnen de op de declaratie vermelde betalingstermijn.

4.        

Indien en voor zover de opvolgende en opgevolgde raadsman geen overeenstemming bereiken over de vergoeding genoemd in punt 3 van deze richtlijn, kan de deken schriftelijk om bemiddeling worden verzocht.
Daarbij zal voor de deken het uitgangspunt gelden, behoudens bijzondere omstandigheden, dat tussen de opgevolgde en de opvolgende raadsman wordt afgerekend op basis van het pro rata- beginsel naar aanleiding van de aan de zaak bestede tijd. Dat wil concreet zeggen dat het bedrag van de vaststellingsvergoeding (inclusief opvolgingsvergoeding, exclusief eventuele reistijd en kilometervergoeding) wordt gedeeld door het totaal aantal uren van zowel de opgevolgde als de opvolgende raadsman.

Voor bepaling van het aantal aan de zaak bestede uren zal de deken – in geval dat in geschil is – zich bij bewerkelijke zaken laten leiden door het aantal uren dat door de RvR is goedgekeurd. In geval van niet-bewerkelijke zaken geldt dat alleen die uren in aanmerking komen voor vergoeding welke als redelijk worden beschouwd.

Amsterdam 14 april 2011